Oranjetipje – Anthocharis cardamines

Het oranjetipje is een vroege voorjaarsvlinder. Hij vliegt van april tot uiterlijk juni. De vlinder is heel gemakkelijk te herkennen. Althans, de mannetjes. Bij de vrouwtjes ligt dat iets moeilijker. Zowel de mannetjes als de vrouwtjes hebben witte vleugels, maar bij de mannetjes hebben de voorvleugels elk een felle oranje punt; de tip van de voorvleugel dus. Vandaar de naam uiteraard: oranjetipje. Op de bovenste foto hierboven zie je het mannetje, daaronder staat het vrouwtje.

De vrouwtjes missen die oranje punt en de bovenkant van hun vleugels zijn wit met een zwarte stip op de voorvleugel. In vlucht zijn de mannetjes direct te herkennen. De vrouwtjes minder goed want ze lijken op de andere witjes. De vlinders zijn echter wel een stuk kleiner dan de witjes. In rust zijn ze wel gemakkelijk te onderscheiden van andere witjes. Zowel de mannetjes als de vrouwtjes hebben geblokte, ietwat gemarmerde tekeningen op de onderkant van hun achtervleugel.

De oranjetipjes houden van bosranden met ietwat vochtige weilanden. Ze zijn zeer afhankelijk van bepaalde planten. De waardplant waarop de rupsen leven zijn vooral pinksterbloem en look-zonder-look. In mindere mate ook judaspenning, damastbloem en eventueel ook nog andere kruisbloemigen, maar de eerste twee hebben toch hun absolute voorkeur.

Een vrouwtje zal op een plant slechts één eitje afzetten. Dat is eerst wit van kleur, maar wordt na enkele uren fel oranje. Het vrouwtje zal de plant waarop ze een eitje gelegd heeft ook markeren met een geurspoor, een feromoon. Dit om te beletten dat andere vrouwtjes ook nog een eitje op die plant zouden afzetten. Eén plant is immers één rups. Als er meerdere rupsen op één plant zouden zitten, dan eten ze elkaar op tot er maar één meer over is. De rupsen eten eerst de bloemen van de plant op en dan de zaaddozen. Nadat ze volgroeid zijn, gaan ze verpoppen op een struik, bij voorkeur bramen. De pop lijkt daarbij ietwat op een stekel en komt pas het volgende voorjaar weer uit. De vlinders zelf leven niet lang. Hoogstens een drietal weken, de vrouwtjes zelfs nog korter. Nadat ze eitjes hebben gelegd, sterven ze snel.

Het oranjetipje is vooral vanwege zijn eisen die hij stelt aan zijn leefomgeving, tegenwoordig niet zo algemeen meer. Nogmaals: je kunt ze vooral vinden in ietwat vochtige weilanden aan de bosrand waar de waardplanten waar hij het moet van hebben, staan.